Amédée Gordini werd in Italië geboren en bouwde in Frankrijk een reputatie op die groter was dan zijn werkplaats. Ze noemden hem le Sorcier, de tovenaar, omdat hij uit bescheiden serie-motoren vermogen wist te halen waar de fabrikanten zelf niet aan konden tippen. Zijn équipe reed met een fractie van het budget van de grote namen: waar Ferrari en Maserati met fabrieksgeld, fabrieksmensen en een rij reserveauto's naar een Grand Prix kwamen, arriveerde Gordini met een handvol monteurs en materiaal dat al een seizoen lang mee ging. Dat het team überhaupt jaren mee kon draaien in het wereldkampioenschap zegt meer over vindingrijkheid dan over middelen.
De Type 32 was zijn antwoord op de 2,5-liter-formule. Getekend in 1955, gebouwd in 1956, met een achtcilinder in lijn die zo'n 250 pk leverde bij 7.500 toeren — op papier genoeg om mee te doen. Het chassis was een buizenframe, de auto had schijfremmen met extra koelsleuven, onafhankelijke wielophanging en een vijfversnellingsbak. Alleen: hij woog rond de 700 kilo, en dat was in dit gezelschap simpelweg te veel. Er zijn er twee van gebouwd. Beide waren, zoals het later nuchter werd opgeschreven, de concurrentie niet de baas. De auto debuteerde eind 1955 op Monza en kreeg in 1956 zijn enige volledige seizoen.
Op 1 juli 1956 stond hij in Reims, op de snelste omloop van het jaar, tussen de graanvelden van de Champagne. Fangio pakte de pole in de Ferrari met 2:23.3. Robert Manzon zette de Gordini op 2:36.0 — bijna dertien seconden per ronde langzamer, goed voor de vijftiende startplek. De race duurde 61 ronden en werd gewonnen door Peter Collins, die na twee en een half uur met drie tienden voorsprong op Castellotti over de streep kwam. Manzon reed hem uit als negende, vijf ronden achterstand. In de zusterauto met nummer 32 werd Hermano da Silva Ramos achtste. Het was, gemeten aan de omstandigheden, precies wat er in zat.
Manzon was toen al een veteraan. Geboren in Marseille in 1917, begonnen als monteur, na de oorlog racend op een Cisitalia, en vanaf 1948 verbonden aan Gordini. In dat blauw pakte hij zijn twee podiumplaatsen — in België in 1952 en in Frankrijk in 1954. Zesentwintig starts, zestien punten, en de gewoonte om een auto thuis te brengen die daar eigenlijk niet toe in staat was. 1956 werd zijn laatste seizoen: uitvalbeurten op de Nürburgring en Monza, negende plaatsen in Reims en Silverstone. Toen Gordini zich aan het eind van het jaar terugtrok uit de Formule 1, stopte Manzon ook.
In mijn register staat bij dit model een korte aantekening: dat dit feitelijk een Formule 2-auto was, uit de tijd dat Grands Prix met F2-materiaal werden verreden. In 1952 en 1953 werd het wereldkampioenschap naar Formule 2-reglement verreden en juist in die jaren boekte Gordini zijn beste resultaten — Manzons podium in België kwam uit precies die periode. De Type 32 zelf is gebouwd naar de 2,5-litermaat die daarna kwam, maar hij komt uit dezelfde kleine werkplaats, met dezelfde manier van doen: zelf tekenen, zelf bouwen en hopen dat het genoeg is.
Het model in de vitrine is die Reims-auto: Frans racingblauw, nummer 30 op de neus, draadspaakwielen en de lange sigaarvorm die in 1956 al bijna uit de tijd was. Ik kocht hem in 2024 op de Namac-beurs bij Ed Models Cars, voor maar vijf euro. Verzamelen hooeft niet altijd duur te zijn. Mooi exemplaar ter herinnering aan het einde van een Frans team, het laatste seizoen van een coureur en het laatste ontwerp van een man die zijn hele leven meer uit minder haalde.