Guy Ligier was rugbyspeler, roeier, wegenbouwer en amateur-coureur voordat hij een Formule 1-team begon. Zijn eerste auto's, de JS5 tot en met JS9, droegen de initialen van zijn verongelukte vriend Jo Schlesser en een zware Matra V12 in de rug. Eén overwinning had dat opgeleverd, in Zweden 1977. Voor 1979 gooide hij het roer om: de V12 ging eruit, de Ford Cosworth DFV erin, en technisch directeur Gérard Ducarouge kreeg een winter de tijd om te doen wat Colin Chapman met de Lotus 79 had voorgedaan — een auto bouwen die zichzelf tegen het asfalt zuigt.
De JS11 die uit Vichy kwam, was geen kopie. Ducarouge, Michel Beaujon en aerodynamicus Robert Choulet gingen verder dan Lotus. De venturi-tunnels onder de zijpontons waren agressiever gevormd, de veren en dempers waren verticaal ín de monocoque gemonteerd zodat er niets in de luchtstroom hing, en de schuivende skirts sloten zó goed aan dat er, in Ducarouge's woorden, geen lucht meer ontsnapte. De auto produceerde zoveel downforce dat het team een geheime klep onder een radiator verstopte die opende als de druk te hoog werd — anders schuurde de JS11 bij 265 km/u over de grond.
Jacques Laffite, 35 jaar, zwager van Jean-Pierre Jabouille, sinds 1976 de vaste man bij Ligier, stapte in Buenos Aires in en reed de rest van het veld op meer dan een seconde. Pole. De eerste start liep uit op een massale crash in de snelle slingers na de pitstraat — Scheckter, Piquet, Watson en Tambay lagen in de vangrails — en bij de herstart reed Laffite gewoon opnieuw weg. Snelste ronde in ronde 42, vijftien seconden voorsprong op Reutemann. Twee weken later in Interlagos precies hetzelfde: pole, snelste ronde, zege, met Depailler tweede voor een Ligier één-twee. Twee races, achttien punten, en de hele paddock vroeg zich af wat er in die blauwe auto's zat.
Het antwoord kwam nooit — omdat de voorsprong verdween voordat iemand hem had ontcijferd. Tussen Brazilië en Zuid-Afrika werd het materiaal van de bodemplaat gewijzigd; de nieuwe vloer boog door onder de aerodynamische belasting, de skirts kwamen los van het asfalt en de zuiging was weg. Laffite viel uit in Kyalami, Long Beach en Jarama, waar Depailler nog wel de derde JS11-zege pakte. In België pakte Laffite zijn vierde pole van het seizoen en werd tweede. Toen brak Depailler begin juni beide benen bij een deltavlieg-ongeluk, en Guy Ligier — woedend over de tegenvallende resultaten — liet in een driftbui alle zijpontons slopen en opnieuw bouwen. Het team van dertig man had geen middelen om dat in te halen. Jacky Ickx kwam Depailler vervangen, Laffite reed drie keer naar de derde plaats, en Williams en Ferrari namen de rest van het jaar over.
Vierde in het kampioenschap met 36 punten, waarvan de helft in de eerste twee races. Ligier eindigde derde bij de constructeurs achter Ferrari en Williams. Laffite zou uiteindelijk zes van de negen Ligier-overwinningen ooit voor zijn rekening nemen — twee daarvan in die zes weken van 1979 waarin hij, heel even, de snelste coureur ter wereld was in de snelste auto.
Het model in Han's vitrine komt uit de F1 Collectie-reeks, boekje 29, en toont de JS11 in het Franse blauw-wit met de rode biezen en het brede nummer 26. Wie de echte auto kent, ziet meteen wat ontbreekt: de grote Gitanes-letters op de zijpontons en de neus. Tabaksreclame mocht niet meer op partwork-modellen, dus bleven de vlakken wit. Han noteerde het zelf in zijn register: mist reclame Gitanes. De gouden velgen en de chromen vleugels zijn een vrijheid van de uitgever — de echte JS11 was matter, zwaarder, en op die twee middagen in Zuid-Amerika onverslaanbaar. Naast hem staat de Williams FW04 uit 1975, de auto waarmee dezelfde Laffite vier jaar eerder zijn eerste punten scoorde.