Aan het begin van 1992 had Ligier op papier alles om eindelijk weer mee te doen. Het team uit Magny-Cours kreeg dezelfde Renault V10 als Williams, de motor waarmee Nigel Mansell dat jaar het kampioenschap zou winnen. Frank Dernie tekende de auto, Gérard Ducarouge was technisch directeur. Guy Ligier was nog de baas, maar zocht al naar een koper. Eind dat jaar zou Cyril de Rouvre het team overnemen.
Vóór het seizoen kwam er een bijzondere gast langs. Alain Prost was door Ferrari ontslagen en zat een jaar zonder auto. Hij testte de JS37 meerdere keren, met de helm van Boutsen's teamgenoot Érik Comas op, en reed snelle tijden. Prost wilde niet alleen rijden maar ook mede-eigenaar worden. Vlak voor de eerste race in Zuid-Afrika ging het niet door. Comas hield zijn plek en Prost zat dat jaar thuis.
Boutsen worstelde met de auto, kwalificeerde en presteerde ook slechter dan zijn teamgenoot Comas. Pas in de laatste race van het seizoen pakte Boutsen 2 punten door als vijfde te finishen in Aidelade.
Op Spa, eind augustus. In de training ging teamgenoot Comas zwaar onderuit bij Blanchimont, een van de snelste bochten van de baan. Hij was buiten bewustzijn en zijn voet stond nog op het gas, de motor gierde door. Ayrton Senna kwam langs, zette zijn McLaren aan de kant en rende naar de Ligier. Hij zette de motor uit en hield Comas' hoofd stil tot de artsen er waren. Comas zegt tot vandaag dat Senna zijn leven heeft gered. De race mocht hij niet rijden. Twee weken later in Monza stond hij weer aan de start.
Het model in mijn vitrine is een Onyx, in het blauw van Ligier, zonder de Gitanes-letters van de echte auto. Er zit een klein raadsel in. Op de neus en de achtervleugel staat nummer 25, maar naast de cockpit staat de naam van Comas. Terwijl de helm wel degelijk van Boutsen is. In 1992 was no 25 de auto van Boutsen. no 26 van Comas. Vandaar dat dit verhaal eigenlijk een combi is geworden van twee rijders.