Begin 1975 was Frank Williams geen naam waar iemand van opkeek. Zijn team, Frank Williams Racing Cars, bestond al een paar seizoenen, maar had nog nooit iets gewonnen en verkeerde vrijwel voortdurend in geldnood. Het verhaal wil dat het team gebruikte banden en tweedehands onderdelen kocht bij de rijkere concurrenten om de auto's überhaupt aan de start te krijgen. De neus van de nieuwe FW04 kwam letterlijk van een Hesketh 308. En tóch bouwde Williams dat jaar zijn eerste volledig eigen chassis — de FW04, getekend door ex-McLaren-man Ray Stokoe. Smaller en gestroomlijnder dan de voorganger, met als krachtbron de betrouwbare Ford Cosworth DFV .
De auto was er niet aan het begin van het seizoen; hij debuteerde pas bij de Grand Prix van Spanje op Montjuïc. Wat de FW04 vooral bijzonder maakt, zie je niet aan de buitenkant. Voor 1975 kwam een jonge ingenieur bij het team: Patrick Head. Hij paste direct de koeling en de brandstoftoevoer van de auto en maakte hem daarmee merkbaar sneller. Het is misschien een voetnoot in de geschiedenisboeken, maar het is ook het begin van iets moois: de samenwerking tussen Frank Williams en Patrick Head. Dit zou jaren later uitgroeien tot een van de succesvolste samenwerkingen die de Formule 1 ooit heeft gekend. In deze schamele, half geleende auto ligt de kiem van een dynastie.
Achter het stuur zat Jacques Laffite, nummer 21, in de kleuren van FINA en de Zwitserse financier Ambrozium. Laffite mócht de FW04 rijden — en teamgenoot Arturo Merzario die de auto niets vond bleef liever in de oude FW rijden. Laffite was een coureur op de weg omhoog: datzelfde jaar 1975 zou hij het Europese Formule 2-kampioenschap winnen met Martini. In de Formule 1 wachtte hij nog op zijn eerste echte resultaat. En dat kwam op de meest meedogenloze plek die de kalender te bieden had.
Nürburgring, 3 augustus 1975. De Nordschleife: bijna drieëntwintig kilometer per ronde, veertien ronden lang. Laffite kwalificeerde als vijftiende — ver achterin. Maar de Duitse Grand Prix van 1975 werd een uitputtingsslag. Lekke banden, motorstoringen, ongelukken; de één na de ander viel weg. Laffite hield vol, klom gestaag op en haalde tegen het einde nog Tom Pryce in. Toen hij over de finish kwam stond er een tweede plaats op het scorebord, achter de Brabham van Carlos Reutemann. Zes punten. Het was de enige keer dat het team dat hele seizoen zou scoren.
Voor Frank Williams Racing Cars was het méér dan een uitslag. De timing was, zoals de historici droog noteren, financieel uitstekend: het geld en het aanzien dat die tweede plaats opleverde, hielden het bijna-failliete team op de been. Zonder die middag op de Nordschleife was het verhaal van Williams misschien wel anders — of helemaal niet — verder gelopen. Aan het eind van het jaar stond het team negende bij de constructeurs, met precies die zes punten uit Duitsland; Laffite werd twaalfde in het rijderskampioenschap.
Dit model in mijn vitrine draagt het brede nummer 21, het FINA-logo op de neus en de Ambrozium-belettering op de flanken — de auto zoals hij aan de start van de Nordschleife stond. Een bescheiden, half geleende racewagen van een team dat nog niemand serieus nam. En precies daarom zijn dit de mooiste verhalen: de outsider die op de zwaarste dag van het jaar tweede werd en daarmee een team redde dat later de wereld zou veroveren.