Het seizoen 1993 begon met een merkwaardigheid: er stond geen regerend wereldkampioen aan de start. Nigel Mansell had eind 1992 de titel gepakt en was daarna vertrokken naar de Amerikaanse IndyCar-serie. Startnummer 1 bleef daardoor onuitgereikt, en Williams — als winnaar van het constructeurskampioenschap — kreeg de nummers 0 en 2 toegewezen. Damon Hill, in zijn eerste volle seizoen bij een topteam, reed dus met een nul op de neus. Alain Prost, terug na een jaar zonder stoeltje, kreeg de twee.
Dat sabbatjaar had Prost goed gebruikt. Vanaf de zijlijn zag hij hoe Williams-Renault iedereen overklaste, en al bij de tweede race van 1992 lag zijn contract voor de twee jaren erna klaar. In dat contract stond een clausule die Ayrton Senna de deur wees: zolang Prost er reed, kwam Senna er niet in. Senna noemde hem daarop in het openbaar een lafaard. Het was, zelfs voor hun begrippen, een kille manier om een seizoen in te gaan.
De auto waar het allemaal om draaide was getekend door Adrian Newey onder technisch directeur Patrick Head. Anders dan de FW14B — een goede auto waar de actieve ophanging achteraf in was gebouwd — was de FW15C vanaf het eerste vel papier ontworpen rond dat systeem. De hydropneumatische ophanging hield de auto onder alle omstandigheden op precies de juiste rijhoogte; daarnaast had hij tractiecontrole, ABS, een semi-automatische bak en een push-to-pass-knop. De Renault RS5, een 67-graden V10 van 3,5 liter, leverde tussen de 760 en 780 pk bij 13.800 toeren. Het geheel woog 505 kilo. Wie in 1993 naast zo'n auto stond, keek naar de toekomst.
Op de baan was het verschil navenant. Prost won zeven van de eerste tien races en pakte over het hele seizoen dertien pole positions uit zestien. De uitzonderingen waren bijna even beroemd als de zeges: in Brazilië schoof hij in de stromende regen van de baan en nam hij Christian Fittipaldi mee; op Donington Park reed Senna in een mindere McLaren de wedstrijd van zijn leven en werd Prost derde na een middag vol pitstops; in Hongarije sloeg zijn motor af op de opwarmronde, moest hij van achteraan starten en brak zijn achtervleugel het weekend definitief af. Twaalfde, zeven ronden achterstand — met de snelste auto van het veld.
Op vrijdag 24 september, in de aanloop naar Estoril, maakte Prost bekend dat hij aan het eind van het jaar zou stoppen. Het was onderdeel van een afspraak: hij kon Senna's komst in 1993 blokkeren, maar niet die van 1994. In ruil voor zijn vertrek betaalde Williams hem zijn salaris voor het jaar dat hij niet meer zou rijden. Twee dagen later reed hij achter Michael Schumacher naar de tweede plaats, en dat was genoeg. Vier wereldtitels, met twee races te gaan, zesentwintig punten voor Senna uit. In Adelaide, zijn laatste Grand Prix, stond hij naast de man met wie hij tien jaar gevochten had — en die omhelsde hem op het podium.
Wat er daarna gebeurde, hoort er ook bij: de FIA verbood voor 1994 vrijwel alle elektronische hulpmiddelen die de FW15C zo bijzonder maakten. Actieve ophanging, tractiecontrole, ABS — allemaal weg. Deze auto is daarmee het eindpunt van een tijdperk dat niemand daarna nog heeft mogen overdoen. Het model in Han's vitrine draagt het donkerblauw-wit met de gele neus van Canon en Renault, de Sega-vleugel en het nummer 2. Het is het exemplaar van een kampioen die precies wist wanneer hij moest ophouden.