Het seizoen 1999 was voor Williams het dieptepunt van een decennium. Het team dat in de jaren negentig vijf constructeurstitels had gepakt, stond ineens zonder fabrieksmotor: Renault was vertrokken en wat overbleef was dezelfde V10, doorontwikkeld en verkocht onder de naam Supertec. Een klantenmotor, met alles wat daarbij hoort. Gavin Fisher tekende het chassis, Geoff Willis de aerodynamica, Patrick Head hield toezicht — en het resultaat, de FW21 in het rood-wit van Winfield, was netjes maar nergens dominant. Ralf Schumacher haalde er drie podiumplaatsen uit en alle vijfendertig punten van het team; Alessandro Zanardi, terug uit Amerika met twee CART-titels op zak, scoorde er geen enkele. Vijfde bij de constructeurs. Voor Williams was dat een vernedering.
Maar achter die tegenvallende cijfers werd al aan iets anders gewerkt. BMW zou vanaf 2000 als fabrieksmotorleverancier instappen, en om die nieuwe V10 te beproeven bouwde Williams een aangepast chassis: de FW21B. Geen racewagen meer, maar een rijdend laboratorium. Toen het seizoen 2000 aanbrak en de echte auto's naar de circuits vertrokken, bleef de FW21B achter — met een nieuwe opdrachtgever.
Michelin was in 1984 uit de Formule 1 gestapt en wilde terug. Niet halfslachtig, maar goed voorbereid: een fabrikant die na zestien jaar afwezigheid met verse banden op een moderne grondeffect-auto verschijnt, weet domweg niet meer hoe die zich gedraagt. Dus huurde Michelin bij Williams één FW21B, compleet met BMW-V10, tegen een gereduceerde prijs, en zette zijn testoperatie op vanuit de fabriek in Grove. Vanaf begin 2000 draaide de auto sessies van vier dagen achter elkaar — op het BMW-eigen Miramas in Zuid-Frankrijk en op Barcelona — waar systematisch gegevens werden verzameld over grip, slijtage en gedrag in de regen.
De coureurs die daarvoor werden ingezet waren geen sterrijders maar vakmensen. Jörg Müller — F3000-kampioen van 1996, later BMW-fabriekscoureur in de toerwagens — was tussen 1999 en 2001 de vaste testrijder van het BMW-Williams-project en reed zowel de motor- als de bandenprogramma's. Naast hem verschenen Bruno Junqueira, Darren Manning, Tom Kristensen en soms Ralf Schumacher zelf achter het stuur. In datzelfde chassis vond ook de beroemde shoot-out op Jerez plaats, waarin Junqueira en een negentienjarige Jenson Button om het tweede Williams-stoeltje streden. Button won die strijd; de ingenieurs waren verdeeld.
Het werk wierp vruchten af. In 2001 stond Michelin weer op de grid, met Williams als eerste partner, en begon de bandenoorlog tegen Bridgestone die de jaren daarna zou bepalen. Van de auto die dat mogelijk maakte bestaat geen uitslagenlijst, geen puntentotaal, geen ereronde. Alleen kilometers.
Precies daarom is dit model zo eigenaardig om in een vitrine te zetten. Het is spierwit — geen Winfield-rood, geen sigarettenmerk, geen startnummer op de neus. Op de sidepod staat Bibendum, het Michelinmannetje, in zwarte lijnen groot over de flank, met langs de neus de regel Developing Technology in Competition. Michelin-logo's op de vleugels, op de wielen, op de banden zelf. Minichamps bracht hem uit in een oplage van 5999 stuks; ik vond er ergens een voor negen euro. Een auto die nooit een Grand Prix reed, maar zonder wie de tien jaar daarna er anders hadden uitgezien.