Williams had in 1997 de wereldtitel gewonnen en was daarna hard gevallen. Renault vertrok als fabrieksleverancier en twee seizoenen lang reed het team uit Grove met klantmotoren die onder een andere naam op de kleppendeksels stonden — Mecachrome, daarna Supertec. Het waren nette motoren echter zonder toekomst. In 1998 en 1999 won Williams geen enkele race. Voor een team dat gewend was aan kampioenschappen voelde dat als stilstand.
De uitweg werd al in 1997 getekend en pas in 2000 zichtbaar: BMW zou terugkeren in de Formule 1, als fabrieksleverancier, exclusief voor Williams. Het was voor het eerst sinds 1987 dat er weer een volledig door de fabriek gesteunde BMW-motor in een Formule 1-auto lag. München had er twee jaar op de testbank aan gewerkt. De E41/4 was een 72-graden V10 van drie liter, goed voor zo'n 810 pk bij 17.500 toeren — indrukwekkend op papier, maar ook langer en zwaarder dan de Supertec die hij verving. Patrick Head, Gavin Fisher en Geoff Willis moesten de FW22 daarop aanpassen: de wielbasis verlengd met zeven centimeter omhoog en de sidepods werden hoger gemaakt, simpelweg omdat de nieuwe motor meer koeling vroeg dan de oude.
Het coureursduo was een merkwaardige combinatie van ervaring en jeugd. Ralf Schumacher begon aan zijn tweede jaar bij Williams en was op zijn vierentwintigste ineens de kopman. Naast hem kwam Jenson Button, twintig jaar oud en een rookie, die de plaats innam van Alex Zanardi — na één moeizaam seizoen weggestuurd. Vrijwel niemand verwachtte iets van dit eerste jaar. Het was bedoeld als leerjaar: motor en team moesten aan elkaar wennen.
Melbourne, 12 maart 2000, zette de zaak echter direct op zijn kop. Ralf kwalificeerde zich als elfde, ruim anderhalve seconde achter de pole van Mika Häkkinen. Maar het werd een race van uitvallers. Häkkinen's motor begaf het in ronde achttien, David Coulthard de zijne al in ronde elf; ook Frentzen en Trulli haalden het einde niet. Negen auto's finishten. Ralf Schumacher was er één van, en hij stond derde. BMW had een podiumplaats bij zijn eerste Grand Prix in dertien jaar. Twee weken later scoorde Button in Brazilië zijn eerste punt en was hij de jongste puntenpakker uit de geschiedenis van de sport.
De rest van het jaar was minder. Ralf pakte nog twee keer een derde plaats — Spa en Monza, allebei circuits waar de BMW-motor zijn vermogen kwijt kon — maar de tweede seizoenshelft werd geteisterd door uitvalbeurten: vijf van de laatste zes races haalde hij niet. Vierentwintig punten, vijfde in het wereldkampioenschap. Samen met Buttons twaalf punten was dat zesendertig voor het team en een derde plaats bij de constructeurs, achter een dominant Ferrari en McLaren. Precies wat een leerjaar hoort op te leveren, en meer dan waar iemand vooraf om had gevraagd.
Het model in mijn vitrine draagt het Compaq-blauw en -wit dat die eerste BMW-jaren typeerde, met het nummer 9 en de complete sponsorrij van dat seizoen: Castrol, Allianz, Veltins, Reuters, Nortel Networks, 11880.com en het blauw-witte BMW-logo op de neus. Op de sidepod staat, klein en zakelijk, "BMW Power". Dat was in 2000 nog een belofte.