Aan het eind van 1976 had Walter Wolf genoeg van toekijken. De in Oostenrijk geboren, in Canada fortuin gemaakte handelaar in olie- en duikuitrusting, had zich een jaar eerder ingekocht in het team van Frank Williams. Dat huwelijk liep stroef en toen Williams vertrok om zijn eigen, gloednieuwe team op te richten, hield Wolf de werkplaats, het materieel en de mensen over. Zíjn team was daarmee, hoe wonderlijk ook, de directe voortzetting van het eerste team wat Frank Williams ooit had opgezet — terwijl Williams zelf helemaal opnieuw begon. Voor 1977 wilde Wolf maar één ding: een eigen auto, en de beste mensen om zich heen.
Die mensen vond hij. Als ontwerper haalde hij Harvey Postlethwaite weg bij het ter ziele gegane Hesketh; als teambaas kwam Peter Warr over van Lotus. Postlethwaite tekende een opvallend eenvoudige auto: een aluminium monocoque met de vertrouwde Ford-Cosworth DFV-V8 als dragend deel achterin, mooie lijnen en een nauwkeurig uitgebalanceerde gewichtsverdeling. Geen experiment, wel een auto die alles goed deed. Het werd de WR1 — Walter Wolf Racing, chassis één. Het team reed met slechts één auto per race, een zeldzaamheid in een startveld vol meervoudige inschrijvingen, met nummer 20 en als coureur Jody Scheckter, de stugge Zuid-Afrikaan die Tyrrell achter zich had gelaten.
Het debuut kwam op 9 januari 1977 in Buenos Aires. James Hunt stond op pole en leidde en niemand keek naar de zwart-gouden nieuweling die als elfde was gestart. Maar de Argentijnse hitte sloopte de ene na de andere auto en toen in ronde 31 ook Hunts ophanging het begaf, lag Scheckter er ineens vooraan. Hij gaf de leiding niet meer weg en won met ruim veertig seconden voorsprong. Het was de allereerste Grand Prix van een gloednieuwe constructeur — en hij werd meteen gewonnen, een prestatie die in de geschiedenis van de Formule 1 bijna nooit was voorgekomen.
Argentinië bleek geen toevalstreffer. In Monaco won Scheckter opnieuw, in een beklemmende tactische race tussen de vangrails. Op het thuiscircuit van het team in Canada, in Mosport, volgde de derde zege. Daartussen reeg de WR1 de podiumplaatsen aaneen: tweede in Zuid-Afrika en Duitsland, derde in Long Beach, Spanje, Zandvoort en Watkins Glen. Negen podiums in één seizoen, met één auto en één coureur. Aan het eind van het jaar stond Scheckter tweede in het wereldkampioenschap met 55 punten, alleen Niki Lauda en zijn Ferrari bleven buiten bereik.
Zo hoog zou het team nooit meer komen. Het succes van 1977 was deels een kwestie van perfecte timing en betrouwbaarheid en toen de concurrentie in 1978 met grondeffect kwam, raakte de eenvoud van de WR1 achterhaald. Scheckter vertrok naar Ferrari, waar hij in 1979 wereldkampioen werd. In datzelfde jaar stapte James Hunt in de Wolf — de man die in Buenos Aires nog op pole had gestaan — maar de glans was eraf; halverwege het seizoen stopte Hunt er abrupt mee. Kort daarna ging het team op in dat van Fittipaldi.
Dit model in mijn vitrine draagt precies de kleuren van dat ene gouden jaar: het diepe nachtblauw-zwart, de gouden bies, de Canadese esdoornbladen voor Wolfs tweede vaderland, en het brede nummer 20. Een stille herinnering aan een team dat uit het niets opdook, meteen won, en even snel weer verdween.